De Smeetsgroep - een limburgse familiesite
Over vader René (Renier), heeft Toon van alles te vertellen. Dat was een bijzonder iemand. Hij leerde in Geistingen, België, het vak van hoefsmid, maar was verder van alle markten thuis. Maar het was een geweldenaar. Hij kon even goed met zijn linker- als rechterarm het smidswerk doen. Op een zondagavond kreeg hij ruzie met een boerenzoon. Dat liep zo hoog op dat hij hem beet greep en over een heg een boomgaard in gooide. Die boerenzoon was niet de eerste de beste. Dat is de clou van het verhaal. Die werd later niets minder dan Bisschop van Luik. Bob Smeets wilde graag weten hoe deze boerenzoon heette en kwam na enig wikipedia'en tot de conclusie dat het Martin-Hubert Rutten moet zijn geweest, gezien zijn geboorteplaats. René (Renier), trouwde, toen hij 26 was, met Sibylla Henckens, die hij tijdens zijn leertijd in Geistingen wel moet hebben leren kennen. Haar moeder, die van twee kanten had geërfd, kwam bij hem inwonen. Het zal dan ook wel vooral met haar geld zijn geweest, dat hij midden in het dorp een boerenhofstee kon kopen. Daar richtte hij onder de schaduw van een grote lindeboom zijn smidse in. Daarbij boerde hij ook, had enkele koeien en varkens en behoorlijk wat land -wellicht ook uit de erfenis- zodat er werk genoeg aan de winkel was. Toon vertelt: "Jullie grootvader Smeets ( met 'jullie' bedoelt hij dus zijn eigen kinderen en die van zijn broers en zusters) was een ondernemend man. Toen een 15-jarige schimmel naar de slachter werd gevoerd, kocht hij hem, huurde een knecht voor het werk op het land (Birke Maassen, herinnert hij zich) en op een dag mocht ik op de schimmel meerijden tot aan de school. Ik was de koning te rijk! Om zijn groeiend gezin aan het eten te houden hield hij een café, richtte achter de smidse een bergplaats als beugelbaan in, en pachtte voor twaalf jaar van de Domeinen een stuk grasland van 60 hectaren. Het lag over de Maas, van de kerk van Maasbracht tot Wessem. Hij liet ieder jaar de notaris een 'verpachting' houden van het grasland voor het hooi. Voor bemesting zorgde de Maas die 's winters meestal het hele gebied overstroomde.. ..Van die 60 hectaren waren ér op een lager gelegen stuk enkele met wilgenstruiken beplant. Ze leverden een paar honderd bossen "mooie lange tenen" op, die aan de mandenmakers werden verkocht.” En het hele gezin moest mee aanpakken. Vader René (Renier), had ook een boot om de Maas over te steken en ze hadden een hondenkar, want al dat spul moest natuurlijk worden geoogst, gehaald en naar de mandenmakers gebracht. Dat gold ook voor het hooi, dat naar de klanten moest worden getransporteerd. Toon vertelt nog: “Toen de hond Pol door de hitte bezweken was, maakte Vader een tweewielige kar, bijna een meter breed, waarmee zeven, acht zakken hooi tegelijk konden worden vervoerd. Vader kruide de "radjah", zo noemden we de wagen, en wij trokken aan een touw in een flinke vaart tegen de helling bij de kerk op en zo ging het naar huis.”
Met ontzettende dank aan Ome Harrie, Toon en Ome Toon (oet Venlo). Het verhaal van Oom Toon (13e uit de rij) uit Venlo. (De levendige tekening van oom Toon geeft een goede indruk van die tijd. Denk er even aan dat er nog geen auto’s waren, geen elektra, geen radio, geen verwarming of ijskast. Maar onze vader had natuurlijk met zijn tien kinderen heel wat te stellen, vooral omdat er maar liefst drie onderwijzer zijn geworden. Daarvoor ging je toen naar Rolduc waar een zogenaamde Normaalschool was voor de onderwijzersop leiding). De enige die voor ons iets over zijn eigen jeugd heeft opgeschreven is oom Toon uit Venlo. Hij is in 1975 gestorven. Om het allemaal goed te begrijpen zullen we de zaken even bij elkaar zetten. We hebben het nu dus over een eeuw geleden. Het was nog een totaal andere wereld. De hier volgende gegevens heb ik dus geput uit de tekst van oom Toon. In het gezin, waarover hij schrijft, waren ze met z’n tienen. Vier kinderen (3 uit het eerste huwelijk, 1 uit het tweede huwelijk ) waren jong gestorven. Hier volgen de namen (zoals ome Toon ze noemt – en tussen haakjes de namen zoals ze vermeld zijn in de stamboom) van de tien en hun geboorte jaar: · Chris 1866, smid (Christiaan) · Neeltje (Cornelia) · Theodorus , metselaar (Theodorus) · Jozef 1874, onderwijzer (Joseph) · Frans 1876, smid (Frans) · Fien 1878 (Josefina) · Leen 1880 (Helena) · Jaques 1882, smid (Jaques) · Harie 1884, onderwijzer (Hendrikus) · Toon 1886, onderwijzer (Antoon) Tegen de eeuwwisseling waren ze allemaal jonge volwassenen geworden. De herinneringen van oom Toon komen dus vooral uit de tijd rond de eeuwwisseling. De eerste drie van het rijtje waren dus van een eerste moeder die in 1873 gestorven was. Greetje Bell was in de moeilijke jaren dat de eerste moeder met ziekte te kampen had de hulp in de huishouding. Voor de drie kleine kinderen was ze onmisbaar. Daarom trouwde René (Renier), met haar en dat gaf een nieuwe reeks kinderen.

top

Vader René (Renier) was zelf uit een gezin van 4 kinderen. Daar moeten we het eerst even over hebben. Zijn vader heette Chrétien, ook zo'n naam die in de familie werd doorgegeven. Hij werd maar 30 jaar oud en had bij zijn dood 4 kinderen: Maria, die kloosterzuster werd, Jaques, Dorus en René (Renier). Na de lagere school gingen ze studeren op het college in Weert. Moeder beschikte blijkbaar over nogal wat middelen maar die raakte ze kwijt aan een proces dat een broer-pastoor over grondbezit moest voeren. De jongens moesten toen thuiskomen en een vak gaan leren. Dorus vocht later als Zoeaaf in het pauselijk leger. Dorus huwde en kreeg twee dochters terwijl Jacques slechts een enkele dochter kreeg die vroeg stierf. René (Renier), was dus de enige die de familietak van de Smeetsen verder zou bouwen. En hij deed dat op een manier die wel niemand hem kon verbeteren. Aan die beide “ooms” Kobus en Dorus, heeft ome Toon natuurlijk herinneringen, want het waren de broers van zijn vader. Maar er waren nog meer ooms van de kant van de moeder, de eerste vrouw van René (Renier),: ze had 4 broers die allemaal naar Rome trokken om de paus in zijn strijd tegen Garibaldi te helpen. Alleen uit België en Nederland trokken er zo’n 5000 jonge kerels naar Italië. Oom Toon heeft die zoeaven van de familie zelf nog gekend. Van Dorus weet Oom Toon nog te vertellen dat hij als meubelmaker naar Brussel trok, waar hij een goed bedrijf opbouwde. En oom Kobus was ook naar België getrokken en maakte het ook best. Hij stierf tamelijk jong, net als zijn vrouw en dochter maar liet aan de grote familie een erfenis na, die goed van pas kwam. Maar de meeste herinneringen van oom Toon betreffen natuurlijk het eigen gezin, en allereerst de oudste (half) broers, Chris en Thei. Broer Chris begon een smidse in Beek bij Maasbracht. Als jongste van het gezin bracht Toon hem ‘s middags te eten zolang hij niet getrouwd was. Toon herinnert zich dat hij dan altijd een paar centen kreeg. En broer Chrismaakte voor hem ook echte schaatsen. Chris was 20 jaar ouder als Toon, -want hij was de jongste van de familie-, een echte grote broer dus. Chris trouwde,aldus het verhaal van Toon, met een dochter van "het kettertje". Die werd zo genoemd omdat hij ruzie had met de pastoor over de plek waar een nieuwe kerk zou worden gebouwd. Maar de pastoor dreef zijn zin door ondanks het feit dat 'de Beek' evenveel inwoners telde als Bracht en Kruchten samen,(zodat de Beek veel later een eigen kerk kreeg). Broer Thei was metselaar geworden. Over hem noteert Toon het volgende: "Voor hij trouwde werkte hij veel in Duitsland. Ik weet nog dat hij mij en Hari een viool beloofde mee te brengen. Toen hij tegen Kerstmis weer thuis kwam, zaten wij tweeën te popelen, want wij wisten dat hij die avond zou komen en op een gegeven ogenblik kwam hij viool-spelend de deur in. Ik haal dit aan om te zeggen dat wij nooit hebben gemerkt dat we halfbroers en halfzusters hadden."